woensdag 10 juni 2026

50 jaar In The Pocket

Dit is weer typisch zo'n album waar de arrogante en zelfingenomen muziekpers destijds zo nodig tegenaan moest plassen. Kijk, als dit je genre niet is, dan wordt het natuurlijk nooit wat. Maar wat mij betreft hoort dit album probleemloos thuis in de ultieme 'zondagochtend top 25'.

Croissantjes in de oven, eitjes koken, verse jus persen, een goede kop koffie erbij en James met zijn enorme muzikale gevolg als omlijsting. Beter gaan de zondagochtenden niet worden. Dat enorme gevolg op In The Pocket behoeft trouwens wel wat uitleg, want op dit album zijn grootheden te horen als Stevie Wonder, Carly Simon, Art Garfunkel, David Lindley, David Crosby, Graham Nash en Bonnie Raitt. Verder hoor je een keur aan gerespecteerde sessiemuzikanten zoals Craig Doerge, Danny Kortchmar, Russ Kunkel, Jim Keltner en vele anderen.

James Taylor is nooit een grote vernieuwer geweest, en dat hoeft ook helemaal niet. Toch flirt hij op dit album een paar keer subtiel met de r&b, zoals op het nummer "Money Machine". Verder kent het album vooral de bekende, heerlijk voortkabbelende James Taylor-nummers. Een track als "Slow Burning Love" is voor mij echt een pareltje. Het klinkt niet alleen fantastisch, de tekst is ook prima en met een groot gevoel voor sfeer gebracht.

Op het daaropvolgende "Everybody Has The Blues" klinkt James misschien net een tikkeltje te vrolijk voor de titel. Wellicht was hij stiekem toch opgelucht dat een bepaalde liefde voorbij was.

In The Pocket, dat vandaag op de dag af 50 jaar geleden verscheen, is gewoon een prima plaat. Ook ik moest destijds aan die wat meer r&b-achtige invloeden wennen. Van het dozijn nummers kun je er een drietal als zodanig benoemen: het eerder genoemde "Money Machine", "Family Man" en een cover van "Woman's Gotta Have It". Die laatste vind ik persoonlijk wat minder geslaagd; het is zeker niet slecht, maar het strijkorkestje is mij net even te zoet.

Onderaan de streep blijft In The Pocket vooral een album dat na een halve eeuw nog steeds absoluut de moeite waard is om op de platenspeler te leggen. En dan bij voorkeur op de zondagochtend, met een lekker ontbijtje binnen handbereik...

dinsdag 9 juni 2026

Skip James

Een groot aantal bluesmuzikanten dat met name begin vorige eeuw in de Mississippidelta aan de weg timmerde, heeft inmiddels een legendarische status verworven. Rijk zullen de meesten er destijds echter niet van zijn geworden. Toch zijn namen als Robert Johnson, Lead Belly, Charley Patton, Sonny Boy Williamson II en Son House onmiskenbaar verankerd in de ontwikkeling van de blues.

Helaas zijn heel veel bluesartiesten uit die beginperiode ten onrechte minder bekend geworden bij het grote publiek. Vandaag is de geboortedag van Skip James, en dat is een mooi moment om hem eens in de spotlights te zetten. Hij werd op 9 juni 1902 geboren als Nehemiah Curtis James in het plaatsje Bentonia (Mississippi). Dat bleek vruchtbare bluesgrond, want ook artiesten als Jimmy "Duck" Holmes (bekend van het Blue Front Cafe) en Jack Owens hadden hun wieg in dit minidorpje staan.

Hoewel het Blue Front Cafe absoluut een eigen blog waard is, gaat vandaag alle aandacht naar 'Skip' zoals hij al snel door iedereen werd genoemd. Tussen de twee wereldoorlogen nam Skip een aantal waanzinnig knappe nummers op, alleen werden deze destijds door het grote publiek niet omarmd. De concurrentie was in die jaren natuurlijk enorm, maar Skip verdient het beslist om met zijn heerlijke, authentieke blues in het iconische rijtje van de Deltablues genoemd te worden.

Door het uitblijven van succes liet Skip het bestaan als bluesmuzikant eind jaren '30 voor wat het was. Hij trad nog wel een heel enkele keer op, maar het duurde tot begin jaren '60 voor we weer echt wat van hem hoorden. Skip werd door een aantal bluesliefhebbers letterlijk in een ziekenhuisbed ontdekt en voor hij het wist, stond hij weer in de studio.

De oude schellakplaten hadden inmiddels plaatsgemaakt voor de moderne 33-toerenlp, en Skip zal in de studio wel even zijn ogen hebben uitgekeken. In de jaren '30 had hij een negental 78-toerenplaten gemaakt. Die bevatten aan weerszijden maar één nummer, wat je destijds natuurlijk geen volwaardige albums kon noemen. Dat echte album kwam er pas in 1965 onder de titel Greatest of the Delta Blues Singers. Wellicht een wat theatrale naam, maar het is onmiskenbaar een vijfsterrenalbum. Met de opvolgers Today! en Devil Got My Woman trakteerde Skip ons op nog een aantal heerlijke, authentieke bluesalbums.

Helaas overleed Skip kort na de release van Devil Got My Woman. Hoewel hij nog steeds geen mega-bekende naam is bij het grote publiek, kan hij onder bluesaficionados en professionele muzikanten rekenen op enorme waardering. Niet voor niets wordt er voor zijn originele schellakplaten uit de jaren '30 tegenwoordig een vermogen neergelegd, en is zijn muziek destijds veelvuldig gecoverd door moderne rockbands als Deep Purple en Cream (denk aan hun iconische versie van "I'm So Glad").

Zijn oude werk is inmiddels ook op modern vinyl verschenen. Als je een plaat van Skip James koopt, moet je dan ook goed opletten of je met zijn werk uit de jaren '30 of de jaren '60 te maken hebt. Daar zit een enorm verschil tussen. De opnames uit de zestiger jaren zijn technisch serieus beter, maar ook wat minder rauw en authentiek.

Wie voor die pure, vroege bezieling gaat, doet zichzelf een groot plezier met de verzamelaar van zijn vroege werk. Hierop staan de 18 nummers die in de jaren '30 op de negen 78-toerenschellakplaten verschenen. Een fascinerende bloemlezing van het eerste deel van zijn carrière. De hoes is direct een knipoog naar de matige geluidskwaliteit, want het ontwerp wekt de suggestie dat we hier met een oude, versleten 78-toerenplaat te maken hebben.

Dit zijn geen platen die je elke maand opzet. Het is echter wel een heerlijke collectie die je rechtstreeks meeneemt naar de kleutertijd van de blues.


maandag 8 juni 2026

Stones in DDR museum

Afgelopen week waren we in de Harz, een regio die in de voormalige DDR ligt. Naast de prachtige natuur vind je er leuke stadjes met eindeloze rijen vakwerkhuisjes. Tijdens zo'n vakantie snuiven we ook altijd wat cultuur en historie op, en we bezoeken dan ook steevast een paar musea. Zo ook deze trip en in het stadje Thale bezochten we het DDR-museum. Zo'n bezoek is een soort tijdreizen en verzamelaars van oude draaitafels lopen hier waarschijnlijk kwijlend rond tussen alle Oost-Duitse merken waar wij in het Westen natuurlijk nooit van gehoord hebben.

Zelf kreeg ik bij een bak met platen een kleine hartverzakking toen ik daar ineens een lp van The Rolling Stones zag staan. Ik vond het een vreemde gewaarwording en vroeg me meteen af of het om een illegale persing ging. In de DDR waren ze destijds immers wars van alles wat westers was. Daarnaast stonden de Stones nou niet bepaald bekend als het braafste bandje, met teksten die doorgaans slecht vallen binnen een dictatuur.

Eind jaren '60 ging in Berlijn het hardnekkige gerucht rond dat de Stones op het dak van een westerse uitgeverij een concert zouden geven, dat te zien en te horen zou zijn aan de DDR-kant van de Muur. Massaal kwamen er jongeren op af, die vervolgens stelselmatig door de politie werden verhoord. Iedereen ontkende natuurlijk stijf dat ze voor de Stones kwamen, maar ruim honderd mensen werden gearresteerd en iemand verdween destijds zelfs voor lange tijd achter de tralies. De Stones waren simpelweg te anarchistisch en een te krachtig symbool van vrijheid. Alles waar de leiding van de DDR fel tegen was, vonden ze terug in deze rockband.

Toch kon het regime de opkomst van moderne muziek uiteindelijk niet tegenhouden. De hoeveelheid illegaal binnengesmokkelde platen en tapes nam hand over hand toe. Met tegenzin besloot de leiding van de DDR begin jaren '80 om op gedoseerde wijze dán maar zelf westerse muziek beschikbaar te stellen. Van een groot aantal artiesten verscheen destijds een album op het Oost-Duitse staatslabel AMIGA. Van de Stones verscheen in 1982 dit titelloze verzamelalbum.

Als hoesontwerp werd de iconische foto gebruikt die we kennen van hun tweede Britse album, The Rolling Stones No. 2 uit 1965. Diezelfde foto was een jaar eerder in de Verenigde Staten al gebruikt voor het album 12 × 5. In die vroege jaren liepen de albumreleases tussen de UK en de US flink uiteen en bij de Stones verschenen er in die periode in Amerika zelfs twee albums meer dan in Groot-Brittannië.

Voor veel Stones-fans heeft deze DDR-plaat dus een zeer herkenbare foto op de cover, al is de tracklist wel degelijk een unieke compilatie van hun vroege hits. Het is beslist een prachtig, historisch verzamelobject.
Het kostte mij dan ook de nodige moeite om het album na afloop netjes in het museum achter te laten...